Welke Gensignalen zijn er?

Structurele genomica

Duidelijke voorbeelden van structurele genomica (erfelijke eigenschappen) zijn:

  • BLAD. Dit is een zeldzame erfelijke afwijking bij runderen, waardoor het immuunsysteem niet functioneert. Kalveren die deze afwijking hebben zullen jong overlijden aan allerlei infecties. Bij potentiële fokstieren worden dragers van BLAD opgespoord en niet ingezet voor de voortplanting.
  • Een ander voorbeeld is het DGAT1-gen dat een grote invloed heeft op de samenstelling van melkvet. Onderzoek door WUR laat zien dat koeien met de A variant voor DGAT1 een lager vetpercentage en meer onverzadigde vetzuren in hun melk hebben dan koeien met de K variant voor DGAT1. Hierdoor is het mogelijk om koeien te selecteren die melk produceren met een aangepaste vetsamenstelling.
  • Nog een voorbeeld is het β-lactoglobuline gen, dit heeft een grote invloed op de samenstelling van melkeiwit. Onderzoek door WUR laat zien dat koeien met de B variant voor β-lactoglobuline een hogere concentratie caseïne in hun melk hebben dan koeien met de A variant voor β-lactoglobuline. Dus fokken op de B variant zal resulteren in meer caseïne in de melk, waardoor een hogere kaasopbrengst te realiseren is.

Functionele genomica

Met functionele genomica kunnen we meten welke genen actief zijn en welke inactief.

  • Een voorbeeld van functionele genomica dat iedereen kent is het effect van weidegang (een omgevingsfactor) op de genen die betrokken zijn bij de aanmaak van gezonde, onverzadigde vetzuren in melk. Andere voorbeelden zijn: welke genen ‘schakelen’ wanneer een koe droog gezet wordt, wanneer een koe tochtig (of drachtig) wordt of mastitis krijgt?

Stuctureel en functioneel

En er zijn ook kenmerken waarbij zowel structurele als functionele gensignalen een rol spelen. Zo blijkt eveneens uit bovengenoemd WUR onderzoek dat fokken op onverzadigde vetzuren (gezond vet) in de melk via twee wegen mogelijk is. Dit kenmerk wordt nl. voor de helft door de erfelijke aanleg van de koe bepaald en voor de andere helft door de voeding van de koe.

 

"De invloed van genen is vrij goed te achterhalen. De uitdaging voor het onderzoek is voorlopig nog het onderscheiden van verschillende fenotypes".